Je hebt het cadeau, je hebt het perfecte detail, en dan staat daar dat ene woord. Piano. Volleybal. Spreadsheet. Je staart ernaar, je mompelt “…ano, …ano”, en na tien minuten heb je nog niets. Rijmen voor sinterklaas is geen talent, het is een handvol trucs. Dit zijn de acht die de hoofdrijmer zelf het vaakst gebruikt, in volgorde van hoe vaak je ze nodig hebt.
1. Zet het moeilijke woord in het midden van de regel
De belangrijkste truc, en de reden dat de meeste mensen vastlopen: ze zetten het lastige woord automatisch aan het eind. Daar hoeft het helemaal niet te staan. Een rijmwoord is alleen het laatste woord van de regel, de rest van de regel mag alles bevatten.
Fout, want nu moet er iets op piano rijmen:
De Sint zag jou spelen op je piano,
Beter, want nu rijm je op “kamer”:
Je piano staat al jaren in de kamer, en jij speelt erop, elk jaar een beetje bekwamer.
Dat werkt met elk onmogelijk woord. Volleybal, hockeystick, spreadsheet, Volvo: in het midden, en de regel loopt door naar een woord dat wél rijmt.
2. Rijm op het detail, niet op het cadeau
Mensen willen graag op het cadeau rijmen, omdat dat de clou is. Maar het cadeau heeft maar één naam, en het detail van de persoon heeft er tientallen. Iemand die vist heeft een hengel, een plas, een jas, een boot, een emmer en een thermoskan. Kies het detail waar het makkelijkst op rijmt.
Elke zaterdag sta jij weer aan de plas, en kom je thuis zonder vis, maar met een natte jas.
Het cadeau komt dan in de laatste regels, en daar heb je meer keus dan je denkt: pakje, geschenk, presentje, verrassing. Op de rijmwoorden op cadeau zie je meteen dat “bureau” en “niveau” er ook bij horen.
3. Halfrijm mag, één keer
Halfrijm is rijm waarbij de klinker klopt maar de medeklinker niet, of andersom: “Piet” en “fiets”, “sportschool” en “vol”. In een gedicht van twintig regels mag dat één keer, liefst ergens in het midden, waar niemand het hoort. In de laatste twee regels, bij het cadeau, wil je volrijm. Dat is het moment waarop iedereen luistert.
De vuistregel: halfrijm is een noodgreep, geen stijl. Gebruik je het twee keer, dan klinkt het gedicht slordig.
4. Ritme boven rijm
Dit is de truc die ervaren rijmers onderscheidt van beginners. Een regel die perfect rijmt maar niet loopt, klinkt als struikelen. Een regel die loopt, klinkt als een gedicht, zelfs als het rijm een beetje wankelt.
Dit rijmt, maar loopt niet:
Jij bent iemand die ’s ochtends heel vroeg in de kas aan het werk gaat met de koffie nog in je hand, en de Sint heeft gezien dat je ook op zondag al in de kas staat met je laarzen aan de rand.
Dit rijmt én loopt:
De Sint zag jou om zeven uur al in de kas, met koffie in de hand en modder op je jas.
Zie je wat er gebeurde? De tweede versie zegt minder, maar het zegt het beter. Schrap alles wat niet nodig is tot de regel kort genoeg is om in één adem te zeggen. Meer hierover lees je in het artikel over ritme en rijmschema.
5. Doe de klaptest
Lees de twee regels hardop en klap op elke lettergreep waar de nadruk ligt. “De SINT zag JOU om ZEven UUR al IN de KAS”: zes klappen. De tweede regel moet ongeveer evenveel klappen hebben. Heeft de tweede regel er vier of acht, dan voel je meteen waar het hapert.
De klaptest kost tien seconden en vangt negen van de tien kromme regels. Doe hem bij elk regelpaar, niet alleen aan het eind. En doe hem hardop: in je hoofd loopt alles.
6. Zet het zelfstandig naamwoord vooraan, het werkwoord achteraan
Op zelfstandige naamwoorden rijmt vaak weinig (piano, computer, tuinstoel). Op werkwoorden rijmt bijna alles: gaan, staan, doen, zien, kijken, lopen, slapen. Begin de regel dus met het ding en eindig met wat ermee gebeurt.
Piano spelen doe jij elke avond laat, de Sint hoorde het al aan de overkant van de straat.
Hetzelfde geldt voor bijwoorden: “weer”, “nog”, “altijd”, “vaak” zijn makkelijke rijmwoorden en ze passen aan het eind van bijna elke regel.
7. Kies een synoniem
Rijmt het woord niet, dan rijmt zijn broertje misschien wel. Op “cadeau” rijmt weinig, op “pakje” veel (zakje, gebakje, takje). Op “Sinterklaas” rijmt alleen “baas”, “kaas” en “dwaas”, op “de Sint” rijmt “vindt”, “kind”, “wint”, “begint”. Op “chocoladeletter” rijmt niets, op “letter” wel.
Wie piano speelt, speelt ook klavier:
Jij speelt het liefst de hele dag klavier, en de Sint hoorde het: dat klinkt naar veel plezier.
Een snelle lijst om te onthouden: Sinterklaas wordt de Sint, pepernoten worden kruidnoten of strooigoed, cadeau wordt pakje of geschenk, en de stoomboot wordt gewoon de boot. Op rijmwoorden op sinterklaas en rijmwoorden op piet zie je precies waarom die synoniemen zo veel schelen.
8. Laat de rijmmachine helpen
Na zeven trucs mag je het ook gewoon opgeven, maar dan wel slim. Op de rijmmachine typ je het woord waar je op vastloopt en krijg je direct rijmwoorden: de gangbaarste woorden eerst, gesorteerd op lettergrepen, met de sinterklaaswoorden en namen apart. Typ “kas” en je ziet jas, glas, plas en was. Typ “Daan” en je ziet gaan, staan, baan en maan.
Het belangrijkste bij een rijmwoordenlijst: kies niet het eerste woord dat rijmt, maar het woord dat bij de persoon past. Een lijst geeft je twintig opties, het gedicht heeft er maar één nodig, en dat is degene waar de luisteraars bij denken: “ja, dat is hem helemaal”.
Wil je helemaal niet rijmen? Dan vul je een naam in bij de gedichtenmaker en krijg je een compleet gedicht in je mail, zonder AI, uit alinea’s die door mensen geschreven zijn. Daar mag je dan nog altijd twee regels zelf aan toevoegen. Met truc 1 tot en met 7.
Nog één ding: schrijf de tweede regel eerst
Alle trucs hierboven worden makkelijker als je andersom werkt. Bedenk eerst het rijmwoord van de tweede regel (een woord waar veel op rijmt en dat bij de persoon past), en schrijf de eerste regel ernaartoe. Je rijmt dan nooit meer “naar” een moeilijk woord, maar altijd “vanaf” een makkelijk woord. In het artikel over beginnen staat precies hoe dat werkt, met twaalf openingszinnen om te oefenen.
En lees alles hardop. De Sint doet dat ook.