Een sinterklaasgedicht beginnen is lastiger dan het afmaken. Zodra de eerste twee regels staan, loopt de rest meestal vanzelf. Maar die eerste twee regels, daar zit bijna iedereen een halve avond op te zweten. Het resultaat is meestal een variant van “Het is weer december, de Sint is in het land”. Dat rijmt, maar het zegt niets over de persoon die het gedicht krijgt, en het is de opening van tienduizend andere gedichten.
Hieronder leggen we uit welke drie soorten openingen er zijn, geven we twaalf beginregels die je zo kunt overnemen, en laten we zien welke openingen je beter kunt laten liggen.
De drie soorten openingen
Elke goede opening doet één ding: hij maakt het gedicht meteen persoonlijk. Dat kan op drie manieren.
1. Begin met de persoon
De sterkste opening. Je noemt direct iets wat alleen bij deze persoon past: een gewoonte, een hobby, een uitspraak. De luisteraars weten binnen één regel over wie het gaat, en de persoon zelf voelt zich betrapt.
Beste opa, de Sint zag je zaterdag staan, met je hengel en thermoskan, vroeg in de baan.
2. Begin met het cadeau
Je geeft een hint over wat er in het pakje zit, zonder het te verklappen. Dit werkt goed bij een surprise en bij cadeaus met een verhaal erachter.
Lieve [naam], de Sint geeft je een hint, want wat hierin zit, is iets wat jij wel vindt.
3. Begin met de situatie
Je beschrijft een moment: de Sint die op het dak staat, Piet die iets hoort, de schoen die klaarstaat. Deze opening is vriendelijk en werkt goed bij kinderen, maar moet snel overgaan naar de persoon zelf.
Lieve [naam], de Sint stond op het dak, en hoorde gezaag, dus hij dacht: timmerwerk, zo’n vak.
12 openingszinnen om te kopiëren
Vervang wat tussen [haken] staat en maak de tweede regel passend bij de persoon.
Voor familie
- Lieve oma, de Sint stond vannacht voor je deur / en rook door de brievenbus die appeltaartgeur.
- Lieve mama, de Sint keek in zijn grote boek / en vond onder jouw naam een lijst van een meter, zoek.
- Beste papa, de Sint zag de schuur vol met licht / en jou met een boor en een heel streng gezicht.
- Lieve opa en oma, de Sint weet het al lang: / op woensdag is het bij jullie een feest, met gezang.
Voor vrienden en partner
- Lieve [naam], de Sint stond om acht uur klaar, / maar jij kwam om negen, met “sorry, ja, raar”.
- Beste [naam], de Sint keek om drie uur naar binnen / en zag jou met een headset en een blik van: “we winnen!”
- Lieve [naam], de Sint hoeft niet te loten, / want jouw naam staat al jaren bij mij in de noten.
Voor collega’s
- Beste [naam], de Sint kwam langs op kantoor, / hij zocht je bureau en volgde het spoor…
- Beste [naam], de Sint trok jouw lootje uit de pot / en dacht: wie is dat ook alweer? Dat wordt een complot.
Voor kinderen
- Hé [naam], de Sint hoorde net van Piet / dat jij elke bal in de bovenhoek schiet.
- Lieve [naam], de Sint hoorde een gil, / om half acht ’s avonds: “Nee, ik wil niet, ik wil!”
- Lieve [naam], je schoentje stond klaar, / met een wortel voor het paard, dat vond hij heel raar.
Openingen die je beter kunt laten liggen
- “Het is weer december / het is weer zover”: zegt niets over de persoon, en iedereen heeft hem al gehoord.
- “Sinterklaas zat te denken wat hij jou zou geven”: de Sint twijfelt nooit, die weet alles. Laat hem iets zíen in plaats van twijfelen.
- “Lieve [naam], hier is een gedicht”: het gedicht kondigt zichzelf aan. Begin gewoon.
- Een opening over het weer: regen, kou, sneeuw. Alleen leuk als de persoon zelf iets met het weer heeft (een tuinder, een hardloper, een wintersporter).
De tweede regel is belangrijker dan de eerste
Een laatste tip: schrijf de tweede regel eerst. De tweede regel bepaalt het rijmwoord, en het is veel makkelijker om naar een rijmwoord toe te schrijven dan ervandaan. Kies een concreet woord dat bij de persoon past (hengel, boor, kantoor, headset) en bouw de eerste regel daar omheen.
Lukt het niet? Op de rijmmachine typ je een woord en krijg je direct rijmwoorden. Of je laat het hele gedicht maken: vul een naam in bij de gedichtenmaker, en de openingsregel is al geschreven voor je koffie koud is.