De naam is het eerste woord van het gedicht en het eerste waar iedereen op vastloopt. “Lieve Noah…” en dan? Op Noah rijmt een boa en verder niets. Toch is de naam het makkelijkste deel van een sinterklaasgedicht op naam, als je één ding onthoudt: de naam hoeft niet aan het eind van de regel te staan.
Hieronder vier manieren om elke naam in je gedicht te krijgen, en daarna voorbeeldregels voor twaalf namen die je waarschijnlijk op een lootje hebt staan.
Truc 1: zet de naam in het midden
Dit lost negen van de tien naamproblemen op. Een rijmwoord is alleen het laatste woord van de regel. Begin de regel met de naam, en rijm op wat er daarna komt.
Noah, de Sint zag jou op het schoolplein, met de bal aan je voet, en je was weer de kapitein.
De naam staat er, de luisteraars weten over wie het gaat, en het rijm (plein op kapitein) komt uit de situatie. Dat werkt bij elke naam, ook bij Jacqueline, Thijmen en Zeynep.
Truc 2: rijm op het woord erna
De vriendelijke variant van truc 1: zet de naam vóór een woord dat wél rijmt, zodat het lijkt alsof je op de naam rijmt. “Lieve Lisa, de Sint…” en dan rijm je op wat de Sint deed.
Lisa, de Sint zag jou op de dansvloer staan, en nam zelf meteen de maat: zo moet het gaan.
Truc 3: gebruik de bijnaam
Op Jan rijmt kan, dan en plan. Op Jantje rijmt plantje, mandje, randje en handje, en dat zijn woorden waar een situatie in zit. Verkleinwoorden en bijnamen geven vaak meer rijmwoorden dan de volle naam, en ze maken het gedicht meteen vertrouwelijker. Alleen doen als de persoon die bijnaam zelf leuk vindt, en bij een collega nooit op eigen houtje een nieuwe bedenken.
Jantje, de Sint zag jou bij het mandje met pepernoten, en jouw hand steeds op het randje.
Lieve Sophietje, de Sint hoorde van Pietje dat jij in bad nog steeds zingt, elke avond, een lietje.
Dat laatste rijm is een knipoog: “lietje” bestaat niet, en dat weet iedereen aan tafel. Eén keer per gedicht mag dat, bij een kind.
Truc 4: maak van de naam de grap
Rijmt er echt niets op de naam? Zeg dat dan gewoon. De Sint die toegeeft dat hij ook maar een rijmer is, is een van de leukste openingen die er zijn.
Lieve Julia, op jouw naam rijmt bijna niets, dus zegt de Sint: dan maar een regel over je fiets.
De Sint zocht een rijm op Noah, en vond een boa, dus dat laten we zo, en we gaan door, oké, ja?
Voorbeeldregels voor twaalf namen
Twaalf namen die je dit seizoen vaak tegenkomt, elk met een of twee regels die écht rijmen. Vervang het detail door iets wat bij jouw Daan of Emma past.
Daan (gaan, staan, baan, maan, aan)
Lieve Daan, de Sint zag je vanochtend staan, bij de spiegel, met de kraan nog wagenwijd aan.
Emma (dilemma)
De Sint keek in zijn boek en zag daar: Emma, en meteen daaronder: toch een klein dilemma.
Verder rijmt er weinig, dus Emma gaat meestal vooraan: Emma, de Sint hoorde net van Piet / dat jij de hele dag door zingt, je eigen lied.
Jan (kan, dan, man, plan, pan)
Beste Jan, de Sint heeft een plan: jij krijgt dit jaar iets waar je niet omheen kan.
Lisa (pizza, visa, Pisa)
Lieve Lisa, de Sint bestelde een pizza, en wie at de laatste punt op? Juist, dat was Lisa.
Tom (om, waarom, trom, kom, som)
Lieve Tom, de Sint vroeg zich af waarom jij elke avond zo hard roffelt op je trom.
Sophie (fantasie, energie, melodie, genie)
Lieve Sophie, de Sint zag jouw fantasie: een kasteel van kussens, met een draak en een genie.
Noah (boa, en daar houdt het op)
Noah, de Sint zag jou op het schoolplein, met de bal aan je voet, en je was weer de kapitein.
Julia (bijna niets, dus vooraan)
Julia, de Sint zag jou op ballet, en ’s avonds draaide je nog door, tot in je bed.
Bram (tram, kam, jam, kwam, Amsterdam)
Beste Bram, de Sint zag jou in de tram, je las je boek en reed zo door tot Amsterdam.
Fleur (deur, kleur, geur, humeur, chauffeur)
Lieve Fleur, de Sint stond vannacht voor de deur, en zag je tekening: een paard in elke kleur.
Sem (stem, rem, hem, klem)
Lieve Sem, de Sint hoorde jouw stem, vanaf het dak nog, zo hard zing jij, zonder rem.
Anna (vrijwel niets, dus vooraan)
Anna, de Sint zag jou aan tafel staan, met lijm en glitter, en de tafel moest eraan.
Valt je iets op? De namen met veel rijmwoorden (Daan, Jan, Bram, Fleur, Sem) eindigen op een medeklinker. De namen op een klinker (Emma, Julia, Anna, Noah) zijn de lastige, en daar helpt alleen truc 1 of truc 4.
Namen van collega’s en volwassenen
Bij kinderen mag je met de naam spelen, bij volwassenen is de naam meestal gewoon het begin: “Beste Marieke, de Sint zag…”. Daar zit het rijm in de situatie, nooit in de naam. En als je een lootje hebt getrokken van iemand die je amper kent, is de naam vaak het enige wat je zeker weet. In het artikel over een gedicht voor een collega die je amper kent staat waar je de rest vandaan haalt.
Laat de rijmmachine op de naam rijmen
Je hoeft dit niet uit je hoofd te doen. De rijmmachine kent duizenden voornamen en plaatsnamen. Typ “Daan” en je krijgt gaan, staan, baan en maan, gesorteerd op lettergrepen, met andere namen die rijmen in een apart blokje. Typ “Noah” en je ziet meteen dat je truc 1 nodig hebt. Op de rijmwoorden op naam staat wat er rijmt op het woord naam zelf, handig voor regels als “de Sint zag jouw naam”.
Liever helemaal geen rijmwerk? Vul de naam in bij de gedichtenmaker en je krijgt een compleet gedicht dat loopt en rijmt, zonder AI, uit alinea’s die door mensen geschreven zijn. De naam staat dan al op de juiste plek. Voor de kortste versie kijk je bij de korte voorbeeldgedichten, en voor een gedicht per persoon bij gedichten voor kinderen.