Een grappig sinterklaasgedicht maken is iets anders dan een mop in een gedicht stoppen. De grappigste gedichten die wij op pakjesavond horen, bevatten geen enkele mop. Ze bevatten een gewoonte die iedereen herkent, verteld door een Sint die net iets te veel heeft gezien, met de clou precies op het rijmwoord. Dat is geen talent, dat is techniek, en techniek kun je leren.
Hieronder staan negen humortechnieken die wij zelf gebruiken, elk met twee voorbeeldregels die écht rijmen. Daarna een eerlijke lijst van wat níet grappig is, want ook daar vallen elk jaar gedichten over.
1. Overdrijven
De oudste truc en nog steeds de beste. Neem een echte gewoonte en maak hem drie keer zo groot. De luisteraars herkennen de kern en lachen om het formaat.
Je koffiemok is niet gewoon een mok, maar een emmer met een oor, de Sint zag je ’s ochtends drinken en dacht: daar gaat een liter door.
De regel: overdrijf het gedrag, niet de persoon. “Je drinkt veel koffie” wordt “een emmer met een oor”. “Je bent dik” wordt nooit iets, daarover later meer.
2. Understatement
Het tegenovergestelde van overdrijven, en bij volwassenen vaak nog grappiger. Je noemt iets groots alsof het niets voorstelt. Werkt vooral bij mensen die zelf droog zijn.
Je was gisteren, zeg maar, niet helemaal op tijd, de Sint wachtte een uur of twee, dat was een kleinigheid.
3. Omkeren
Draai de rollen om. Niet de Sint schrijft het gedicht, maar de hond. Niet de persoon krijgt een cadeau, maar het cadeau krijgt de persoon. Eén omkering per gedicht is genoeg; daarna moet het gewoon weer kloppen.
Dit jaar schrijft niet de Sint, maar de hond dit gedicht, want die weet veel beter wat er bij jou in de keuken ligt.
4. De running gag
Noem een detail in de eerste strofe, laat het rusten, en haal het aan het einde terug. De lach komt niet van het detail zelf maar van het terugkomen. Werkt alleen bij gedichten van minstens acht regels, want er moet ruimte zitten tussen de eerste en de tweede keer.
In strofe één:
De Sint zag je maandag met een broodje kaas,
En drie strofen later:
En vrijdag? Weer een broodje kaas. De Sint werd er bijna dwaas.
5. De Sint als getuige
Dit is de techniek die elk sinterklaasgedicht draagt. De Sint heeft iets gezíen, op een moment dat de persoon dacht dat niemand keek. De humor zit in het betrapt worden, en in het detail: niet “de Sint zag je”, maar waar, wanneer en in welke kleren.
De Sint stond gisteravond stiekem achter de heg, en zag jou met de vuilniszak, in je badjas, op de weg.
Hoe concreter het moment, hoe harder de lach. “In je badjas” doet meer dan “in je pyjama”, en “achter de heg” meer dan “buiten”. Kijk op de grappige voorbeeldgedichten hoe vaak deze techniek terugkomt.
6. Zelfspot
Laat de Sint, of de schrijver, zichzelf voor gek zetten. Dat maakt de plagerijen daarna milder: wie eerst om zichzelf lacht, mag daarna meer. Vooral handig bij schoonfamilie en de baas, waar je de toon voorzichtig wilt houden.
De Sint begon aan dit gedicht om kwart voor acht, het is nu middernacht, en hij heeft maar vier regels bedacht.
7. Timing in de laatste regel
De clou hoort op het laatste woord, niet halverwege. Dat betekent: de eerste regel van het paar bouwt op, de tweede regel wacht zo lang mogelijk met de ontknoping. Een punt midden in de laatste regel helpt enorm.
De Sint zocht wekenlang naar iets heel bijzonders voor jou, en vond het ook. Het zijn sokken. Blauw.
Lees die tweede regel hardop en wacht een tel voor “Blauw”. Dat is timing. Meer over slotregels die de clou dragen, lees je in hoe eindig je een sinterklaasgedicht.
8. Verwachting doorbreken
Begin een regel alsof je een compliment gaat geven, en maak het af met iets anders. De luisteraar heeft het einde al in zijn hoofd ingevuld, en jij geeft een ander einde.
Je zei dat jij dit jaar heel gezond zou gaan leven, de Sint zag de pepernoten, en heeft je een extra zak gegeven.
De eerste regel belooft een complimentje over goede voornemens. De tweede regel zet er een zak pepernoten naast. Niemand wordt gekwetst, iedereen lacht.
9. Het cadeau laat praten
Geef het cadeau een stem. Het ligt al weken in een kast te wachten, het heeft dingen gehoord, het heeft een mening. Dit is de techniek die je gebruikt als je over de persoon zelf weinig weet (een lootje voor een collega, bijvoorbeeld) maar wel iets over het cadeau.
“Ik lag hier al drie weken in de kast,” zegt het pak, “naast de kerstballen, dus ik ruik een beetje naar dennentak.”
Dit werkt ook mooi bij een surprise, waar het cadeau al verstopt zit in iets geks. Combineer het met een surprise-gedicht en je hebt twee lagen.
Wat niet grappig is
Elk jaar horen we gedichten die een stilte aan tafel veroorzaken. Niet omdat de schrijver gemeen wilde zijn, maar omdat hij de grens niet zag. De grens is eenvoudig: plagen over gedrag is grappig, plagen over wie iemand is, niet.
Dat betekent dat je wegblijft van:
- Lichaam en gewicht. Nooit. Ook niet “als grapje”, ook niet bij je eigen broer.
- Gezondheid. Een gebroken been van vorig jaar is misschien oké, een ziekte nooit.
- Geld en werk. Geen baan, een ontslag, schulden, een mislukte zaak: niet.
- Relaties. Een ex, een scheiding, “nog steeds single”. De hele tafel weet het al, de persoon wil het niet nog eens horen.
- Dingen die de persoon zelf niet grappig vindt. Dit is de belangrijkste. Als je weet dat iemand gevoelig is voor zijn kookkunsten, laat je het liggen, ook al lacht de rest.
Twijfel je? Doe de lach-samen-test: kan de persoon zelf meelachen zonder te doen alsof? Zo niet, dan is het geen grap maar een steek. Lees meer in plagen in een gedicht: waar ligt de grens?
Eén techniek per gedicht
Nog een laatste tip: kies één techniek, hooguit twee. Een gedicht dat overdrijft én omkeert én een running gag heeft én het cadeau laat praten, wordt een circus. De beste grappige gedichten zijn eenvoudig: de Sint zag iets, hij overdrijft het een beetje, en het cadeau maakt het goed. Wil je het laten maken, kies dan bij de gedichtenmaker de toon “grappig” en vul bij karakter één gewoonte in. De rest is techniek, en die hebben wij alvast gedaan.